Registreren | Inloggen       Colofon
  • Home
  • Onderzoeksdier en relatieve insider

Onderzoeksdier en relatieve insider

24/03/2017 17:00

Onderzoeksdier en relatieve insider

 

ACHTERGROND - Professor dr. Chan Choenni heeft zijn grote overzichtswerk over de Hindostaanse geschiedenis erop zitten. Nu bijt hij zich vast in de Afro-Surinaamse groep. Als het aan hem ligt, volgen daarna de Javanen en een zo ‘breed mogelijk palet’ van de Surinaamse geschiedenis. ‘Ik heb een theorie ontwikkeld over hoe groepen onderdeel worden in een samenleving.’

Tekst Iwan Brave - beeld: R. Khargi

HIJ GAF ER in 2010 zijn baan als bijzonder hoogleraar Hindostaanse Migratie aan de Amsterdamse Vrije Universiteit voor op, om zo zich volledig te kunnen overgeven aan zijn onderzoeksdrieluik over de Surinaams-Hindostaanse geschiedenis. Hij deed er vijf jaar over, waarvan het eerste deel samen met zijn zus Charietje Choenni: over de 'worteling, identiteit en gemeenschapsvorming' van Hindostanen in Suriname (1920 ­­­­­­ 1960). Het tweede deel gaat over Hindostaanse Surinamers in Nederland (1973 2013) en het derde over de contractarbeiders (1920 1960); over hoe zij in Suriname inburgerden en een gemeenschap vormden. Dit laatste boek presenteerde hij in december in het Nationaal Archief Suriname (NAS).

Nu dit overzichtswerk erop zit, bijt onderzoeksdier Choenni zich vast in de Afro-Surinaamse groep, en dan specifiek de periode van 1863 tot 1963. Voor de literatuurstudie heeft hij al 'veel gelezen'. Het veldwerk betreft diepte-interviews met voornamelijk ouderen, voor de orale geschiedenis. "Dit jaar ga ik vooral tijd reserveren voor het veldwerk", zegt Choenni die daarom momenteel weer voor enkele weken in Suriname vertoeft.

Zulke wetenschappelijke sociaalantropologische onderzoeken zijn complex vanwege de infrastructuur die hiervoor ontwikkeld moet worden. "In dit geval is ook de etnische context een complicerende factor", zegt Choenni. Sommige mensen laten hem weten dat hij 'als Hindostaan' niet alles tot in de finesses zal kunnen uitzoeken. "Dat klopt voor een deel. Ik heb zelf in het verleden artikelen geschreven over het insider- en outsiderperspectief. Voor de inleving van bepaalde dingen moet je insider zijn." Maar Choenni ziet zichzelf als een 'relatieve insider', "In die zin dat ik zelf geboren en opgegroeid ben op Abrabroki bij Koffiedam en er heel intensief met Afro-Surinamers heb geleefd en vriendschappen mee heb gehad."

Trotse context

De hele buurt heeft ons veel liefde gegeven

HIJ KOMT UIT een 'progressief vooruitstrevende' familie. Zijn grootvader heeft op plantage Laarwijk, waar iedereen met elkaar leefde, Eugene Drenthe grootgebracht, later de grote voorman van Naks. Zijn grootvader was bekeerd tot de Arya Samaj, de moderne progressieve stroming van het hindoeïsme. "En ik ben door hem als het ware gevormd. Vroeger zeiden ze: 'Die jongens van Choenni tellen niet als Hindostanen.' Mijn moeder, afkomstig uit een rijke familie, is nog dieper in Abrabroki gaan wonen. Ze had er een kleine 'Ons Belang' en een heleboel creoolse vriendinnen. Zij heeft zelfmoord gepleegd toen ik zes was. De hele buurt, en vooral de creoolse buurvrouwen, heeft ons heel veel liefde en compassie gegeven. We waren met zes kinderen. Ik kom dus uit die context en we waren trots daarop. Daarnaast ben ik ook gevormd door creoolse leerkrachten op de Saronschool, Froweinschool en op de AMS."

Ook nadat Choenni in 1972 naar Nederland vertrok, waar hij politieke wetenschappen ging studeren, hield hij zich intensief op tussen Afro-Surinamers. Later heeft hij zich gekwalificeerd in antropologie en geschiedenis en promoveerde in sociale wetenschappen. In Nederland was hij voorstander van 'zwart onderzoek versus wit onderzoek'. Tien jaar lang was hij beleidsadviseur voor het integratiebeleid in Nederland en werkte hij voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Twee keer schreef hij een advies over hoe dat integratiebeleid in elkaar zou moeten zitten. Toen er geld over was bij Hindostaanse stichtingen, werd besloten dat te steken in Hindostaanse geschiedenis. "Dat is maar een paragraaf geweest in de Surinaamse geschiedenis. Het is een hele procedure geweest, ik ben toen geselecteerd om dat te doen."

Breed palet

chan choenni-2

ALS OOK HET Afro-Surinaamse onderzoek erop zit wil Choennie, als het kan, schrijven over de Javaanse geschiedenis. Daarna over een zo 'breed mogelijk palet' van de Surinaamse geschiedenis. "Ik heb een theorie ontwikkeld over hoe groepen onderdeel worden in een samenleving; de wijze waarop en de mate waarin ze succesvol zijn." Dat 'integratieproces' bekijkt Choenni vanuit drie dimensies: sociaaleconomisch, cultureel en politiek. "In mijn research, zowel in Nederland als in Suriname, heb ik onder de Hindostaanse groep bijvoorbeeld gezien dat zij op sociaaleconomisch terrein succesvol zijn na een bepaalde periode. Cultureel zijn ze heel actief maar dringen op dit gebied vaak mainstream niet door in de samenleving. Zij worden niet uitgedaagd om dat te doen omdat zij komen uit een eeuwenoude cultuur waarop ze kunnen terugvallen en teren."

Bij Afro-Surinamers blijkt het omgekeerde. Na honderd jaar afschaffing slavernij heeft deze groep politieke macht weten te verwerven, maar op sociaaleconomisch niveau heeft zij gemiddeld een achterstand. Choenni: "Dat heeft deels te maken met trauma's van de slavernij en racistische beelden. Een hele historische periode konden mensen geen baan krijgen, ambachten gingen verloren en er was ook verdringing door andere bevolkingsgroepen. Uitsluiting maar ook zelfuitsluiting vanwege valse schaamte om bepaalde handenarbeid en landbouwberoepen. Jopie Pengel heeft dat deels gefaciliteerd door mensen massaal in de ambtenarij te stoppen."

Verlevendigen

Je moet een heleboel factoren bij elkaar rapen om te verklaren waarom ontwikkelingen zijn gegaan

UITEINDELIJK WAREN ER maar vijfduizend slaven die in Paramaribo vrij verklaard werden, benadrukt Choenni (hijzelf spreekt liever van 'slaafgemaakten'). De grote bulk woonde in de districten en op de plantages. Velen in en rondom Paramaribo waren huisslaven en voor de 'status' van de planters. Choenni: "De mensen op de suikerplantages zijn keihard uitgebuit, maar velen in de stad hadden een zogenoemde lesi man-job. Een deel daarvan is doorgegeven aan hun nazaten in Frimangron. Die hadden al een heel ander soort status en lachten Paranegers uit die naar de stad kwamen. Zo zijn er een heleboel dingen te detecteren naar omstandigheden. Tegen het decor van literatuur, kennis en cijfers moet je dan al die verschillende ontwikkelingen plaatsen en waar nodig met orale geschiedenis verlevendigen. Dat is dat ding wat ik ga doen."

Het onderzoek wordt in faseringen opgedeeld. Tijdens de periode vanaf afschaffing van de slavernij tot 1900 ging het 'relatief goed'. De cacao-industrie bloeide met veel kleine boeren. Met de uitbraak van de 'krullotenziekte' is dat allemaal ten onder gegaan. Toen staken ineens de goud- en balatakoorts de kop op tot 1920. "Dat bevestigde weer bepaalde culturele patronen", vertelt Choenni. "De man is maanden weg, verdient veel geld, komt terug en trakteert iedereen. De vrouw moet overleven en onderhoudt relaties met andere mannen." Daarna is er van 1921 tot 1939 de proletariseringperiode van grote werkloosheid en wereldcrises. Tijdens de Tweede Wereldoorlog komt er relatieve welvaart met drieduizend Amerikaanse militairen. Dan volgt de periode waarin sprake is van grote concurrentie tussen creolen en Hindostanen en in mindere mate Javanen.

Choenni: "Gelukkig komen dan twee leiders op: Lachmon en Pengel. Die fabriceren een soort verbroederingspolitiek waarbij de angel wordt weggehaald uit die etnische spanning. Belangrijk is ook dat de Afro-Surinaamse bevolking een hele tijd niet is gegroeid, vanwege veel kinderziekten en kindersterfte. Het voedsel van destijds was niet eiwitrijk. Weinig fruit en weinig groente. Fascinerend ook waarom mensen geen groente hebben geplant. Je moet een heleboel factoren bij elkaar rapen om te verklaren waarom ontwikkelingen zijn gegaan zoals ze zijn. Dat moeten we allemaal gaan onderzoeken en oudere mensen al deze vragen stellen."

Startpositie

HIJ GEEFT NOG een historische verklaring voor het verschil tussen het Hindostaanse en Afro-Surinaamse integratieproces. "Een van de belangrijkste redenen is dat Hindostanen uit een cultuur kwamen waarin veel schaarste was. Uit een samenleving waar al een volwaardige economie was en waarin ze moesten concurreren. De Afrikaanse nazaten waren ook overlevers maar zonder een aantal vaardigheden; hun startpositie is verschillend geweest. Neem daarbij ook de culturele nalatenschap."

Inzicht in hoe zaken historisch zijn gelopen, geeft inzicht in hedendaagse gedragingen. "Als je historisch kunt verklaren hoe bepaalde dingen zich hebben ontwikkeld, dan kunnen mensen misschien hun eigen gedrag beter begrijpen", licht Choenni toe. "Je hoeft niet alles dood te verklaren maar het is een complexe pijnlijke geschiedenis geweest. De resultaten daarvan zijn bepaalde gedragingen en de positie die deze groep in de tijd heeft verworven. Dat kan je reconstrueren."

Maar hij wil vooral een 'leemte vullen in de geschiedschrijving' van een van de oudste groepen van Suriname die ook in een achterstandspositie is geraakt. "Als het boek daarnaast kan bijdragen aan een dieper inzicht in de Afro-Surinaamse cultuur en gedragingen waaronder ook niet-bevorderlijke dan zou dat mooi zijn. De gehele bevolking is erbij gebaat dat alle landgenoten zoveel mogelijk vooruitkomen en dat we zoveel mogelijk in harmonie met elkaar leven. Als de geschiedenis daartoe kan bijdragen, vind ik dat prima."

Verloren verhalen

Inmiddels zijn al veel ouderen overleden en daarmee een heleboel verhalen verloren gegaan

IN ZIJN BOEKEN streeft Choenni ernaar zoveel mogelijk tabellen te illustreren met orale geschiedenis, om zo te reconstrueren hoe de mensen het zelf hebben beleefd. "Welke herinneringen hebben ze? Ik heb al zo'n vijftien jaar geleden opgeroepen om oude mensen te interviewen. Inmiddels zijn al velen overleden en daarmee een heleboel verhalen verloren gegaan. Neem bijvoorbeeld de gehele urbanisatie naar Paramaribo, die zich heeft voltrokken in de verschillende historische perioden en wat de redenen zijn geweest. De beleving van de mensen: door wie zijn ze opgevangen, hoe hebben ze een baan gevonden of juist niet? Al die ambachten zijn verloren gegaan: de bakkerij, kleermakerij, wagenmakerij, wasvrouw, koekjesvrouw, oliepersen enzovoort."

Over de uitgekozen periode 1863 1963 zegt Choenni: "Vanuit mijn theorie over integratie zie ik dat na honderd jaar Afro-Surinamers op één niveau wel succesvol zijn, namelijk dat zij de politieke macht hebben verworven, ondanks al die achterstandsposities en het racisme. Hoe is dat zo gelopen? Ook wetenschappelijk is dat een intrigerende vraag. Daarnaast is het een mooie afgebakende periode een eeuw geschiedenis om een bevolkingsgroep te kunnen bekijken."

Grote verschillen

ER IS EEN trend bespeurbaar waarbij impliciet of expliciet ontberingen van de contractarbeiderperiode worden vergeleken met die van de slavernij. Choenni hierover: "Vanuit ideologische motieven, zoals het creëren van solidariteit en eenheid onder de bevolkingsgroepen, gaat men fictief die mensen toekennen dat ze allemaal even veel geleden hebben. Maar dat is niet waar en ook niet eerlijk. Slaafgemaakten hebben een heel harde, pijnlijke geschiedenis. Contractarbeiders hebben ook 'slavenwerk' gedaan en zijn ook uitgebuit, maar ze hebben salaris, land en betere gezondheidsvoorzieningen gekregen. Je kunt de praktijk van slavernij niet vergelijken met de volgende periode. Neem alleen al de omstandigheden op de schepen. Bij de een twintig procent doden terwijl bij de ander één tot anderhalf procent. Er zijn wel wat gemeenschappelijke overeenkomsten, maar vanuit de grote verschillen kun je mede verklaren waarom beide groepen zich in de samenleving verschillend hebben gepositioneerd. De ene groep is veel meer onderdrukt, dan krijg je vrijheid en weet je niet hoe daarmee om te gaan; dat zijn andere processen."

Choenni zoekt maximaal tien veldwerkers. "Die passie hebben en de meerwaarde van dit onderzoek inzien en die kans zien de persoonlijke en vooral pijnlijke verhalen op papier te krijgen. De discriminatie over huidskleur en hoe dat soort pijnen allemaal een rol hebben gespeeld. Over de moeder die overbelast zowel vader als moeder moest spelen. Nu zijn we in een tijd waarin je over dit soort dingen kunt praten; vroeger was het emotioneel, kwetsbaar en taboe. Elke Surinamer is welkom om mij te helpen. De kwaliteit van het boek zal grotendeels afhangen van de orale verhalen." ◊

Dit artikel is verschenen in onze bijlage van 18 maart 2017.

Share on Facebook    

Reageren op dit bericht? Bezoek onze Facebook-pagina